De T-splitsing
Op de T-splitsing stond ik even stil en keek ik naar het bord voor me. Bijzonder om zo midden in het dorp een wegwijzer te zien met twee grote zorgorganisaties voor mensen met een verstandelijke beperking. Links wijst het bord naar de organisatie waar ik – zo voelt het inmiddels – honderd jaar geleden een jaar van mijn opleiding deed. Rechts wijst het bord naar de organisatie waar ik nu naartoe rijd.
Toen
Ik herinner me een bewoner van toen, laten we hem Peter noemen. Peter was een man van middelbare leeftijd, met een lichte verstandelijke beperking en al jaren stabiel. Hij woonde in een instelling waar wonen, begeleiding én behandeling onder één dak vielen. Een eigen arts, gedragskundige, fysiotherapeut; de lijnen waren kort. Na het overlijden van zijn moeder merkte de begeleiding dat Peter stiller was. Hij sliep slechter en werd in de loop van de week steeds wat achterdochtiger. Hij vertelde op een ochtend dat hij stemmen hoorde, stemmen die er niet waren. Diezelfde dag werd de arts ingeschakeld. De gedragskundige kwam langs. Er werd overleg gepland, observatie afgesproken, medicatie aangepast. Binnen enkele dagen zag de begeleiding dat het weer beter ging met hem. Peter raakte niet compleet ontregeld, hoefde niet te worden overgeplaatst, behield zijn plek en zijn vertrouwen in de mensen om hem heen. Dat had niets met magie te maken, maar alles met organisatie.
Nu
Nu rijd ik naar de andere richting die het bord aanwijst: een instelling waar mensen wonen en begeleiding krijgen, maar waar geen behandeling is ingebed. De bewoners zijn vergelijkbaar. De zorgzwaartepakketten ook. Alleen wordt de behandeling niet ‘ verzilverd’ . Hier zie ik straks Jan. In veel opzichten is Jan dezelfde man als Peter. Ook bij hem sluipt er iets in. Slecht slapen. Onrust. Achterdocht. De begeleiding voelt dat het misgaat, maar weet niet goed welke kant het opgaat. Ik kom hier eens in de twee maanden, consulterend. De huisarts in de wijk doet “dit soort zorg eigenlijk liever niet”. De psychiater is extern en heeft een lange wachttijd. De gedragskundige is niet structureel betrokken. Iedereen doet zijn best, maar niemand heeft echt de regie. En ondertussen glijdt Jan langzaam verder weg. Dit zijn de momenten waarop zorg ingewikkeld wordt. Niet omdat de problematiek zo uitzonderlijk is, maar omdat het systeem piept en kraakt. Wie belt wie? Wie neemt verantwoordelijkheid? Wie kent de bewoner echt? Wie mag beslissen? Er worden formulieren ingevuld, overleggen gepland, e-mails gestuurd. De tijd tikt door. De psychose verdiept zich. Ik zie nu al voor me hoe dit uiteindelijk alsnog zal uitlopen op een crisisopname. Precies datgene wat iedereen had willen voorkomen.
Gelijkheid
Het wrange is: Peter en Jan hadden dezelfde indicatie. Dezelfde kwetsbaarheid. Ze hadden recht op dezelfde behandeling. Het verschil zat niet in deze twee mannen, maar in de context om hen heen. In de ene setting was behandeling een vanzelfsprekend onderdeel van zorg. In de andere is het een externe luxe, die alleen zichtbaar wordt als het misgaat.
Laat ik duidelijk zijn: in veel gevallen gaat het goed. Veel bewoners redden zich prima met de begeleiding die ze krijgen en een betrokken huisarts. Maar als het niet goed gaat, wil je geen zoektocht. Dan wil je nabijheid, deskundigheid en continuïteit. Behandeling is geen extraatje. Het is geen franje. Het is een voorwaarde om problemen klein te houden.
Als ik weer wegrijd en nog één keer naar het bord kijk, vraag ik me af hoe logisch het eigenlijk is dat dezelfde bewoners, met dezelfde zorgvraag, zo’n verschillende werkelijkheid kunnen hebben? Misschien is het tijd om niet alleen te kijken naar waar iemand woont, maar ook naar wat er structureel beschikbaar is als het even niet goed gaat. Je zou toch mogen verwachten dat een organisatie, die geen integrale behandeling biedt waar iemand eigenlijk wel recht op heeft, hier beleid op heeft gemaakt? Want soms maakt één afslag het hele verschil.
